Dutch Grammar Part 2 – Past Tenses & Time for A2 | FREE Inburgering Exam Prep | Learn Dutch With AI

For A2 level, focus on being understood rather than perfect grammar. Know the common irregular verbs well, and use time expressions to make your time reference clear!

Learn Dutch With AI - Dutch Grammar Part 2 - Past Tenses & Time for A2 | FREE Inburgering Exam Prep | Learn Dutch With AI |

1. Simple Past Tense (Imperfectum / Verleden Tijd)

The simple past is used to talk about completed actions in the past.

Regular Verbs – Formation

Two possible endings: -te/-de OR -ten/-den

Rule: Use the ‘t kofschip rule to determine which ending.

‘t Kofschip Rule

If the stem ends in: t, k, f, s, ch, p → use -te/-ten All other letters → use -de/-den

‘t kofschip is a made-up word containing these letters!

How to Form Simple Past

Step 1: Find the stem (remove -en from infinitive)

Step 2: Check if stem ends in ‘t kofschip letter

Step 3: Add correct ending

Endings:

Examples

werken (to work) – stem: werk – ends in k (in ‘t kofschip)

  • ik werkte (I worked)
  • jij werkte (you worked)
  • hij werkte (he worked)
  • wij werkten (we worked)
  • jullie werkten (you worked)
  • zij werkten (they worked)

leven (to live) – stem: leef – ends in f (in ‘t kofschip)

  • ik leefte (I lived)
  • wij leeften (we lived)

wonen (to live/reside) – stem: woon – ends in n (NOT in ‘t kofschip)

  • ik woonde (I lived)
  • jij woonde (you lived)
  • hij woonde (he lived)
  • wij woonden (we lived)

maken (to make) – stem: maak – ends in k (in ‘t kofschip)

  • ik maakte (I made)
  • wij maakten (we made)

spelen (to play) – stem: speel – ends in l (NOT in ‘t kofschip)

  • ik speelde (I played)
  • wij speelden (we played)

kopen (to buy) – stem: koop – ends in p (in ‘t kofschip)

  • ik koopte (I bought)
  • wij koopten (we bought)

Important Irregular Verbs in Simple Past

zijn (to be)

  • ik was (I was)
  • jij was (you were)
  • hij/zij was (he/she was)
  • wij waren (we were)
  • jullie waren (you were)
  • zij waren (they were)

hebben (to have)

  • ik had (I had)
  • jij had (you had)
  • hij/zij had (he/she had)
  • wij hadden (we had)
  • jullie hadden (you had)
  • zij hadden (they had)

gaan (to go)

  • ik ging (I went)
  • wij gingen (we went)

komen (to come)

  • ik kwam (I came)
  • wij kwamen (we came)

doen (to do)

  • ik deed (I did)
  • wij deden (we did)

zien (to see)

  • ik zag (I saw)
  • wij zagen (we saw)

krijgen (to get)

  • ik kreeg (I got)
  • wij kregen (we got)

kunnen (can)

  • ik kon (I could)
  • wij konden (we could)

moeten (must)

  • ik moest (I had to)
  • wij moesten (we had to)

willen (to want)

  • ik wilde/wou (I wanted)
  • wij wilden/wouden (we wanted)

geven (to give)

  • ik gaf (I gave)
  • wij gaven (we gave)

nemen (to take)

  • ik nam (I took)
  • wij namen (we took)

lopen (to walk)

  • ik liep (I walked)
  • wij liepen (we walked)

staan (to stand)

  • ik stond (I stood)
  • wij stonden (we stood)

zitten (to sit)

  • ik zat (I sat)
  • wij zaten (we sat)

liggen (to lie)

  • ik lag (I lay)
  • wij lagen (we lay)

2. Present Perfect (Perfectum / Voltooid Tegenwoordige Tijd)

The present perfect is used to talk about:

  • Actions completed in the past with relevance to now
  • Experiences (“I have been to…”)
  • Recent past events

Formation: hebben/zijn + past participle

Pattern: Subject + hebben/zijn + … + past participle

Past Participle Formation

Regular verbs: ge- + stem + -t OR ge- + stem + -d

Use ‘t kofschip rule:

  • Stem ends in t, k, f, s, ch, pge- + stem + -t
  • Other letters → ge- + stem + -d

Examples:

werken → gewerkt (worked)

  • Ik heb gewerkt. (I have worked.)

maken → gemaakt (made)

  • Ik heb een cake gemaakt. (I have made a cake.)

wonen → gewoond (lived)

  • Ik heb hier gewoond. (I have lived here.)

spelen → gespeeld (played)

  • Wij hebben gespeeld. (We have played.)

Important Irregular Past Participles

Verbs WITHOUT ge- prefix

1. Verbs starting with: be-, er-, ge-, her-, ont-, ver-

  • beginnen → begonnen (NOT gebegonn!)
  • vertellen → verteld (NOT geverteld!)
  • ontvangen → ontvangen (NOT geontvangen!)
  • geloven → geloofd (NOT gegeloofd!)
  • herkennen → herkend (NOT geherkend!)
  • erkennen → erkend (NOT geerkend!)

2. Verbs ending in -eren

  • studeren → gestudeerdstudeerd (NOT gestudeerderd!)
  • parkerengeparkeerdparkeerd

Hebben or Zijn?

Most verbs use hebben:

  • Ik heb gewerkt. (I have worked.)
  • Hij heeft gegeten. (He has eaten.)

Use zijn with verbs of:

1. Movement (change of location):

  • gaan → Ik ben gegaan. (I have gone.)
  • komen → Hij is gekomen. (He has come.)
  • lopen → Wij zijn gelopen. (We have walked.)
  • fietsen → Ik ben gefietst. (I have cycled.)
  • rijden → Hij is gereden. (He has driven.)
  • vliegen → Wij zijn gevlogen. (We have flown.)

2. Change of state:

  • worden → Ik ben ziek geworden. (I have become sick.)
  • sterven → Hij is gestorven. (He has died.)
  • groeien → Het is gegroeid. (It has grown.)
  • vallen → Hij is gevallen. (He has fallen.)

3. Specific verbs:

  • zijn → Ik ben thuis geweest. (I have been home.)
  • blijven → Ik ben thuis gebleven. (I have stayed home.)

Word Order with Present Perfect

Main clause: Subject + hebben/zijn + … + past participle (at end)

Examples:

  • Ik heb gisteren gewerkt.
  • Wij zijn naar Amsterdam gegaan.
  • Hij heeft een boek gekocht.

Questions: Hebben/zijn + subject + … + past participle?

Examples:

  • Heb je gewerkt?
  • Ben je naar Amsterdam gegaan?
  • Heeft hij een boek gekocht?

3. When to Use Simple Past vs Present Perfect

Simple Past (Imperfectum)

Use for:

  • Stories and narratives
  • Sequential past events
  • Formal written language
  • With time expressions clearly in past

Examples:

  • Gisteren werkte ik tot laat. (Yesterday I worked until late.)
  • Ik woonde vroeger in Spanje. (I used to live in Spain.)
  • Hij was een goede leraar. (He was a good teacher.)

Present Perfect (Perfectum)

Use for:

  • Experiences (“have you ever…”)
  • Actions with result still relevant
  • Recent past
  • More common in spoken Dutch

Examples:

  • Ik heb in Spanje gewoond. (I have lived in Spain.)
  • Heb je dit boek al gelezen? (Have you read this book yet?)
  • Hij is naar huis gegaan. (He has gone home.)

Practical tip for A2:

  • Spoken Dutch: Use present perfect more
  • Written Dutch: Both are acceptable
  • With zijn/hebben: Often use simple past (was, had)

4. Time Expressions (Tijdsuitdrukkingen)

Past Time Expressions

Yesterday:

  • gisteren = yesterday
  • eergisteren = the day before yesterday
  • gisteravond = yesterday evening
  • gisterochtend = yesterday morning

Last:

  • vorige week = last week
  • vorige maand = last month
  • vorig jaar = last year
  • vorige keer = last time

Ago:

  • een uur geleden = an hour ago
  • twee dagen geleden = two days ago
  • een week geleden = a week ago

Other:

  • laatst = recently/last time
  • toen = then/at that time
  • vroeger = in the past/formerly

Examples:

  • Gisteren werkte ik. (Yesterday I worked.)
  • Ik heb vorige week gefietst. (I cycled last week.)
  • Hij belde twee uur geleden. (He called two hours ago.)
  • Vroeger woonde ik in Berlijn. (I used to live in Berlin.)

Present Time Expressions

Now:

  • nu = now
  • nu meteen = right now
  • op dit moment = at this moment
  • momenteel = currently

Today:

  • vandaag = today
  • vanmorgen = this morning
  • vanmiddag = this afternoon
  • vanavond = this evening/tonight

This:

  • deze week = this week
  • deze maand = this month
  • dit jaar = this year
  • dit weekend = this weekend

Examples:

  • Ik werk nu. (I’m working now.)
  • Vandaag ga ik naar de dokter. (Today I’m going to the doctor.)
  • Deze week ben ik druk. (This week I’m busy.)

Future Time Expressions

Tomorrow:

  • morgen = tomorrow
  • overmorgen = the day after tomorrow
  • morgenochtend = tomorrow morning
  • morgenavond = tomorrow evening

Next:

  • volgende week = next week
  • volgende maand = next month
  • volgend jaar = next year

Soon:

  • straks = later/soon (same day)
  • binnenkort = soon
  • spoedig = soon

Other:

  • later = later
  • over een uur = in an hour
  • over twee dagen = in two days

Examples:

  • Morgen ga ik winkelen. (Tomorrow I’m going shopping.)
  • Volgende week ben ik vrij. (Next week I’m free.)
  • Ik kom straks. (I’ll come later.)

Frequency Expressions

Always/Never:

  • altijd = always
  • nooit = never

Often/Sometimes:

  • vaak = often
  • meestal = usually
  • soms = sometimes
  • zelden = rarely

Counting:

  • één keer = once
  • twee keer = twice
  • drie keer = three times
  • elke dag = every day
  • elke week = every week

Position in sentence: Usually after the first verb:

  • Ik ga altijd om 8 uur naar mijn werk.
  • Hij komt nooit te laat.
  • Wij gaan vaak naar de bioscoop.

5. Expressing Future (Toekomende Tijd)

Dutch has no separate future tense! Use present tense + time expression.

Present Tense + Time Expression

Pattern: Subject + present tense verb + time expression

Examples:

  • Ik ga morgen naar Amsterdam. (I’m going to Amsterdam tomorrow.)
  • Volgende week werk ik niet. (Next week I’m not working.)
  • Wij komen vrijdag. (We’re coming Friday.)

Gaan + Infinitive (going to…)

Pattern: Subject + gaan + infinitive

Examples:

  • Ik ga vanavond koken. (I’m going to cook tonight.)
  • Wij gaan een huis kopen. (We’re going to buy a house.)
  • Zij gaat Nederlands leren. (She’s going to learn Dutch.)

Zullen + Infinitive (will… – formal/written)

Pattern: Subject + zullen + infinitive

Less common in A2 level, but good to recognize:

  • Ik zal het doen. (I will do it.)
  • Het zal regenen. (It will rain.)

For A2: Stick to present tense + time or gaan + infinitive.


6. Connecting Past Events

Toen (when/then)

Used with: Simple past

Meaning: When (at that specific moment in past) OR then

Examples:

  • Toen ik klein was, woonde ik in Spanje. (When I was small, I lived in Spain.)
  • Ik werkte in een winkel. Toen ontmoette ik mijn vrouw. (I worked in a shop. Then I met my wife.)

Daarna (after that)

Examples:

  • Ik ging naar school. Daarna ging ik naar huis. (I went to school. After that I went home.)

Eerst… dan/daarna (first… then)

Examples:

  • Eerst werk ik, dan ga ik naar huis. (First I work, then I go home.)

Practice Exercises

Exercise 1: Simple Past

Fill in the simple past form:

  1. Ik (werken) ______ gisteren.
  2. Hij (wonen) ______ in Amsterdam.
  3. Wij (zijn) ______ thuis.
  4. Zij (hebben) ______ een auto.

Answers:

  1. werkte
  2. woonde
  3. waren
  4. hadden

Exercise 2: Present Perfect

Fill in the present perfect:

  1. Ik (werken) ______ vandaag ______.
  2. Wij (gaan) ______ naar de winkel ______.
  3. Hij (eten) ______ een broodje ______.

Answers:

  1. heb … gewerkt
  2. zijn … gegaan
  3. heeft … gegeten

Exercise 3: Hebben or Zijn?

Choose hebben or zijn:

  1. Ik ____ naar Amsterdam gegaan.
  2. Hij ____ een boek gekocht.
  3. Wij ____ gefietst.
  4. Zij ____ gewerkt.

Answers:

  1. ben (movement)
  2. heeft (most verbs use hebben)
  3. zijn (movement)
  4. heeft (most verbs use hebben)

Common Mistakes to Avoid

Mistake 1: Wrong past participle prefix

Wrong: Ik heb gebeginnen.

✓ Right: Ik heb begonnen. (no ge- with be-)

Mistake 2: Using hebben instead of zijn

Wrong: Ik heb naar huis gegaan.

✓ Right: Ik ben naar huis gegaan.

Mistake 3: Past participle not at the end

Wrong: Ik heb gewerkt gisteren.

✓ Right: Ik heb gisteren gewerkt.

Mistake 4: Wrong ‘t kofschip application

Wrong: Ik woonte in Amsterdam.

✓ Right: Ik woonde in Amsterdam. (n is NOT in ‘t kofschip)


Quick Reference: Most Common Irregular Verbs


Remember: For A2 level, focus on being understood rather than perfect grammar. Know the common irregular verbs well, and use time expressions to make your time reference clear!

Learn Dutch With AI - Dutch Grammar Part 2 - Past Tenses & Time for A2 | FREE Inburgering Exam Prep | Learn Dutch With AI |

Violetta Bonenkamp, also known as Mean CEO, is an experienced startup founder with an impressive educational background including an MBA and four other higher education degrees. She has over 20 years of work experience across multiple countries, including 5 years as a solopreneur and serial entrepreneur. Throughout her startup experience she has applied for multiple startup grants at the EU level, in the Netherlands and Malta, and her startups received quite a few of those. She’s been living, studying and working in many countries around the globe and her extensive multicultural experience has influenced her immensely.