Mock Exam 2: Speaking (Spreken) – A2 Level | FREE Inburgering Exam Prep | Learn Dutch With AI

This is a mock exam in Speaking for the Dutch Inburgering Exam at A2 Level. Use it with your AI assistant for best results.

Learn Dutch With AI - Mock Exam 2: Speaking (Spreken) - A2 Level | FREE Inburgering Exam Prep | Learn Dutch With AI |

Exam Information

Duration: 15-20 minutes

Total Parts: 3 parts

Pass Score: Pass/Fail based on overall performance

Format: Computer-based with microphone (you speak to computer)


Instructions

In the real exam:

For practice: Prepare and practice your answers out loud.


PART 1: Introduction & Personal Questions (5 minutes)

Instruction: Answer questions about yourself. You have 20 seconds preparation time per question, then 30 seconds to answer.


Question 1: Personal Information

SCREEN SHOWS: Picture of a person introducing themselves

QUESTION (you hear this): “Stel jezelf voor. Vertel over je naam, waar je vandaan komt, en waar je nu woont.”

What to say:

Example answer:

Hallo, ik heet Maria Garcia. Ik kom uit Spanje, uit de stad Barcelona.
Nu woon ik in Nederland, in Utrecht. Ik woon hier sinds twee jaar.
Ik vind Nederland mooi maar het weer is vaak koud en regenachtig.

Your turn – practice saying:


Question 2: Family

SCREEN SHOWS: Picture of a family

QUESTION: “Vertel over je gezin. Heb je familie in Nederland?”

What to say:

Example answer:

Ik ben getrouwd en ik heb twee kinderen, een zoon van 8 jaar en een
dochter van 5 jaar. Mijn man werkt als kok in een restaurant. Mijn
ouders wonen in Spanje. Ik mis ze, maar we bellen elke week. Mijn
broer woont ook in Nederland, in Amsterdam.

Your turn – practice saying:


Question 3: Work or Study

SCREEN SHOWS: Picture of people working

QUESTION: “Wat doe je overdag? Werk je of studeer je?”

What to say:

Example answer:

Ik werk als schoonmaker bij een hotel. Ik werk van maandag tot
vrijdag, van 8 uur 's ochtends tot 12 uur 's middags. Het werk is
zwaar maar mijn collega's zijn aardig. Ik wil graag beter Nederlands
leren om een andere baan te vinden.

Alternative (if studying):

Ik volg nu een Nederlandse taalcursus op niveau A2. De cursus is
twee keer per week, op maandag en woensdag. Ik leer grammatica,
woordenschat en conversatie. Na de cursus wil ik werk zoeken.

Your turn – practice saying:


Question 4: Daily Activities

SCREEN SHOWS: Picture of daily activities

QUESTION: “Wat doe je in je vrije tijd? Wat zijn je hobby’s?”

What to say:

Example answer:

In mijn vrije tijd speel ik graag voetbal. Elke zaterdag speel ik
met vrienden in het park. Ik kijk ook graag Nederlandse televisie
om mijn Nederlands te oefenen. Verder lees ik boeken en ik kook graag.
Op zondag ga ik vaak met mijn gezin naar het park of het museum.

Your turn – practice saying:


Question 5: Learning Dutch

SCREEN SHOWS: Picture of language learning

QUESTION: “Waarom leer je Nederlands? Vind je het moeilijk?”

What to say:

Example answer:

Ik leer Nederlands omdat ik in Nederland woon. Ik wil met mensen
kunnen praten en ik wil werk vinden. Ook wil ik mijn kinderen helpen
met school. Nederlands is moeilijk, vooral de grammatica en de
uitspraak. Maar ik oefen elke dag en het gaat steeds beter.

Your turn – practice saying:


PART 2: Describing Pictures (5 minutes)

Instruction: Look at pictures and answer questions. You have 30 seconds preparation, then 45 seconds to answer.


Picture 1: At the Supermarket

SCREEN SHOWS: Picture of people shopping in a supermarket

QUESTIONS:

  1. “Wat zie je op deze foto?”
  2. “Wat doen de mensen?”
  3. “Ga jij vaak naar de supermarkt? Wanneer?”

What to say:

Example answer:

Op deze foto zie ik een supermarkt. Er zijn mensen die boodschappen
doen. Een vrouw pakt groenten, een man staat bij de kassa en betaalt.
Er zijn veel producten in de schappen.

De mensen kopen eten en drinken. Ze vullen hun winkelwagens. Sommige
mensen kijken naar de prijzen.

Ja, ik ga vaak naar de supermarkt, meestal op zaterdag. Ik koop dan
eten voor de hele week. Ik ga naar de Albert Heijn in mijn buurt.
Het is dichtbij mijn huis.

Practice points:


Picture 2: Doctor’s Office

SCREEN SHOWS: Picture of a patient visiting a doctor

QUESTIONS:

  1. “Wat gebeurt er op deze foto?”
  2. “Waarom gaan mensen naar de dokter?”
  3. “Wanneer ben jij voor het laatst naar de dokter geweest?”

What to say:

Example answer:

Op deze foto is een dokter en een patiënt. Ze zitten in een
dokterskamer. De dokter praat met de patiënt en schrijft iets op.
De patiënt ziet er ziek uit.

Mensen gaan naar de dokter als ze ziek zijn. Bijvoorbeeld als ze
hoofdpijn hebben, koorts, of buikpijn. De dokter kan helpen en
medicijnen voorschrijven.

Ik ben vorige maand naar de dokter geweest. Ik had een verkoudheid
en hoest. De dokter heeft me onderzocht en ik heb medicijnen gekregen.
Nu gaat het beter.

Practice points:


Picture 3: At the Train Station

SCREEN SHOWS: Picture of people at a train station

QUESTIONS:

  1. “Waar zijn deze mensen?”
  2. “Wat doen ze?”
  3. “Reis jij vaak met de trein? Waarheen?”

What to say:

Example answer:

Deze mensen zijn op het treinstation. Ik zie mensen die wachten op
de trein. Er zijn ook mensen met koffers. Er is een bord met
vertrektijden.

Ze wachten op hun trein. Sommige mensen kijken op hun telefoon of
naar het informatiebord. Een man koopt een kaartje bij de automaat.

Ja, ik reis soms met de trein. Ik ga met de trein naar Amsterdam
als ik familie bezoek. De trein is snel en makkelijk. Ik koop een
OV-chipkaart en die gebruik ik.

Practice points:


PART 3: Role-Play Situations (6-8 minutes)

Instruction: You have a conversation in different situations. You see the situation and questions on screen. Preparation time: 1 minute. Answer time: 1 minute per situation.


Situation 1: Making an Appointment

SCREEN SHOWS:

JE BENT: Een patiënt
SITUATIE: Je belt naar de huisarts voor een afspraak

QUESTIONS YOU SEE:

  1. Groet de assistente
  2. Zeg waarom je belt
  3. Zeg wat je klachten zijn
  4. Vraag wanneer je kunt komen

What to say:

Example answer:

Goedemiddag. Ik wil graag een afspraak maken met de dokter.

Ik voel me niet goed. Ik heb al drie dagen hoofdpijn en ik ben heel
moe. Ook heb ik een beetje koorts.

Kan ik morgen komen? Of anders deze week? Wanneer heeft de dokter
tijd?

Dank u wel. Tot morgen!

Key phrases to use:


Situation 2: At the Store (Returning Item)

SCREEN SHOWS:

JE BENT: Een klant
SITUATIE: Je hebt een kapotte lamp gekocht en wilt je geld terug

QUESTIONS YOU SEE:

  1. Groet de verkoper
  2. Leg het probleem uit
  3. Zeg wat je wilt (geld terug of nieuwe lamp)
  4. Vraag of dat kan

What to say:

Example answer:

Goedemiddag. Ik heb gisteren deze lamp gekocht, maar hij werkt niet.
Ik heb hem thuis geprobeerd maar hij doet het niet.

Ik heb de bon hier. Kan ik mijn geld terugkrijgen? Of kan ik een
nieuwe lamp krijgen?

Is dat mogelijk?

Oké, dank u wel voor uw hulp!

Key phrases to use:


Situation 3: At the Housing Office

SCREEN SHOWS:

JE BENT: Een huurder
SITUATIE: De verwarming in je huis is kapot. Je belt de verhuurder.

QUESTIONS YOU SEE:

  1. Groet de verhuurder
  2. Leg het probleem uit
  3. Zeg vanaf wanneer het kapot is
  4. Vraag wanneer het gerepareerd wordt

What to say:

Example answer:

Goedemorgen, u spreekt met Ahmed Hassan. Ik huur een appartement op
de Hoofdstraat nummer 45.

Ik bel omdat de verwarming kapot is. Het huis is heel koud. De
verwarming doet het al sinds drie dagen niet meer.

Het is nu winter en het is erg koud. Kunt u iemand sturen om het te
repareren? Wanneer kan de monteur komen?

Vandaag of morgen? Dat is goed. Dank u wel!

Key phrases to use:


Situation 4: Asking for Directions

SCREEN SHOWS:

JE BENT: Een toerist
SITUATIE: Je bent bij het station en zoekt het museum

QUESTIONS YOU SEE:

  1. Groet de persoon beleefd
  2. Vraag waar het museum is
  3. Vraag hoe je er komt
  4. Bedank de persoon

What to say:

Example answer:

Excuseer, kunt u mij helpen? Ik zoek het Rijksmuseum. Weet u waar
dat is?

Hoe kom ik daar vanaf hier? Kan ik lopen of moet ik met de tram?

Welke tram moet ik nemen? En waar moet ik uitstappen?

Dank u wel voor uw hulp! Prettige dag nog!

Key phrases to use:


Situation 5: Calling in Sick

SCREEN SHOWS:

JE BENT: Een werknemer
SITUATIE: Je bent ziek en belt je werkgever

QUESTIONS YOU SEE:

  1. Groet je werkgever
  2. Zeg dat je ziek bent
  3. Leg uit wat er is
  4. Zeg wanneer je denkt terug te komen

What to say:

Example answer:

Goedemorgen, u spreekt met Lisa Bakker. Ik bel om te zeggen dat ik
vandaag niet kan werken.

Ik ben ziek. Ik heb hoge koorts en ik voel me heel slecht. Ik kan
niet uit bed komen.

Ik ga vandaag naar de dokter. Ik denk dat ik morgen of overmorgen
weer kan werken. Ik laat het u weten.

Het spijt me. Tot later!

Key phrases to use:


Scoring Criteria

You will be evaluated on:

  1. Pronunciation (Uitspraak) – Can people understand you?
  2. Vocabulary (Woordenschat) – Do you use appropriate words?
  3. Grammar (Grammatica) – Are basic structures correct?
  4. Fluency (Vloeiendheid) – Can you speak without too many pauses?
  5. Task completion (Taakvervulling) – Did you answer all questions?

Note: You don’t need to be perfect! The focus is on communication.


Tips for Speaking Success

Before Speaking:

  1. Read the question carefully – Understand what you need to say
  2. Use preparation time – Think about what to say
  3. Don’t panic – Take a breath and start

While Speaking:

  1. Speak clearly and loud enough – The microphone must hear you
  2. Don’t speak too fast – Take your time
  3. Use simple sentences – Keep it simple and correct
  4. Complete your answer – Answer all parts of the question
  5. If you forget a word – Describe it or use another word

Useful Phrases:

When you don’t know a word:

When you need time:

When you make a mistake:


Practice Activities

Daily Practice:

  1. Talk to yourself in Dutch – Describe what you’re doing
  2. Record yourself – Listen and improve
  3. Practice with friends – Speak Dutch together
  4. Use language apps – Tandem, HelloTalk

Weekly Practice:

  1. Go to a taalcafé – Practice with native speakers
  2. Order in Dutch – At shops, restaurants
  3. Make phone calls in Dutch – Appointments, questions
  4. Join a conversation group – At library or community center

Common Topics to Practice:


Common Speaking Mistakes to Avoid

Mistake 1: Speaking too quietly

Solution: Speak up! The computer must hear you clearly

Mistake 2: Not answering all parts of the question

Solution: Listen/read carefully, answer everything

Mistake 3: Stopping when you make a mistake

Solution: Keep going! Small mistakes are okay

Mistake 4: Using very short answers (1-2 words)

Solution: Make complete sentences

Mistake 5: Speaking in English when stuck

Solution: Describe in Dutch or use gestures


Veel succes met je spreekexamen! (Good luck with your speaking exam!)

Learn Dutch With AI - Mock Exam 2: Speaking (Spreken) - A2 Level | FREE Inburgering Exam Prep | Learn Dutch With AI |

Violetta Bonenkamp, also known as Mean CEO, is an experienced startup founder with an impressive educational background including an MBA and four other higher education degrees. She has over 20 years of work experience across multiple countries, including 5 years as a solopreneur and serial entrepreneur. Throughout her startup experience she has applied for multiple startup grants at the EU level, in the Netherlands and Malta, and her startups received quite a few of those. She’s been living, studying and working in many countries around the globe and her extensive multicultural experience has influenced her immensely.