Instructies
- Lees elke vraag goed.
- Kies het goede antwoord: A, B of C.
- Controleer je antwoord direct onder de vraag.
Vraag 1 – Onderwijs
Een van je dochters is zes jaar. Ze gaat naar groep 3 van de basisschool. Wat is waar over onderwijs in Nederland?
A. School is niet verplicht; ouders kiezen zelf of hun kind gaat.
B. School is verplicht vanaf 5 jaar (leerplicht).
C. School is pas verplicht vanaf 12 jaar.
Antwoord: B
Vraag 2 – Huisarts
Je woont in Sterksel en je voelt je al een paar dagen niet goed. Wat doe je meestal eerst als je naar een dokter wilt?
A. Je gaat naar de spoedeisende hulp zonder te bellen.
B. Je belt eerst je huisarts voor een afspraak.
C. Je gaat direct naar een specialist in het ziekenhuis.
Antwoord: B
Vraag 3 – Gezondheidszorg en verzekering
Hoe heet de verplichte verzekering voor medische kosten in Nederland?
A. Inboedelverzekering.
B. Zorgverzekering.
C. Reisverzekering.
Antwoord: B
Vraag 4 – Werk en contract
Je krijgt een e-mail met een contractvoorstel van een Nederlands bedrijf dat jouw AI-diensten wil gebruiken. Wat staat er meestal in een arbeidscontract als je in loondienst gaat?
A. Alleen je voornaam en de naam van het bedrijf.
B. De werktijden, het salaris en de vakantiedagen.
C. Alleen hoeveel vakantiedagen je krijgt.
Antwoord: B
Vraag 5 – Werktijden en pauze
Je werkt bij een Nederlands bedrijf in Eindhoven. Je werkt acht uur op een dag. Wat is normaal tijdens zo’n werkdag?
A. Je mag nooit pauze nemen.
B. Je hebt recht op pauze.
C. Je moet in de pauze blijven doorwerken.
Antwoord: B
Vraag 6 – Gelijke behandeling
Wat betekent “gelijke behandeling” in Nederland?
A. Mannen en vrouwen hebben niet dezelfde rechten.
B. Mensen mogen niet gediscrimineerd worden vanwege afkomst of religie.
C. Alleen Nederlanders hebben rechten.
Antwoord: B
Vraag 7 – Verjaardag en visite
Je man is jarig en er komen familie en vrienden op bezoek. Wat is in Nederland gebruikelijk als mensen binnenkomen?
A. Ze zeggen niets en gaan meteen zitten.
B. Ze zeggen “Gefeliciteerd” en geven vaak een hand of een zoen.
C. Ze brengen altijd bloemen en wijn mee.
Antwoord: B
Vraag 8 – Fietsen
Je fietst met je dochters naar school. Wat is belangrijk in het verkeer?
A. Je hoeft niet naar het verkeer te kijken als je op het fietspad fietst.
B. Je mag altijd door rood fietsen als je haast hebt.
C. Je moet naar het verkeer kijken en je aan de verkeerslichten houden.
Antwoord: C
Vraag 9 – Koningsdag
Op 27 april is het Koningsdag. Wat doen veel mensen op deze dag?
A. Ze werken de hele dag op kantoor.
B. Ze vieren feest, dragen oranje en bezoeken vrijmarkten.
C. Ze moeten verplicht naar de kerk.
Antwoord: B
Vraag 10 – Stemmen
Waarom is stemmen belangrijk in Nederland?
A. Omdat de koning dan weet wat mensen willen.
B. Omdat mensen zo invloed hebben op wie in de gemeenteraad of Tweede Kamer komt.
C. Omdat je anders een boete krijgt.
Antwoord: B
Vraag 11 – Taal leren
Violetta volgt een inburgeringscursus. Waarom is het belangrijk om Nederlands te leren als je in Nederland woont?
A. Dan hoef je geen belasting te betalen.
B. Dan kun je beter meedoen op je werk, op school en in de buurt.
C. Dan krijg je gratis reizen met het openbaar vervoer.
Antwoord: B
Vraag 12 – Kinderopvang
Je wilt twee dagen per week werken in je bedrijf en je dochters naar de buitenschoolse opvang brengen. Waar kun je informatie vinden over kinderopvang en vergoedingen?
A. Alleen bij de huisarts.
B. Bij de Belastingdienst en bij de gemeente.
C. Alleen bij de politie.
Antwoord: B
Vraag 13 – Afval scheiden
In Sterksel staan verschillende containers voor afval: papier, plastic en restafval. Waarom scheiden mensen afval?
A. Omdat het leuk is om te doen.
B. Omdat de gemeente dan meer geld verdient.
C. Omdat dit beter is voor het milieu.
Antwoord: C
Vraag 14 – Dokter buiten kantooruren
Het is zaterdagavond en je dochter heeft plotseling hoge koorts. De huisarts is dicht. Wat doe je in Nederland?
A. Je belt de huisartsenpost.
B. Je wacht tot maandag.
C. Je belt de tandarts.
Antwoord: A
Vraag 15 – School en contact met ouders
De juf stuurt een bericht via een ouder-app (bijvoorbeeld Parro) over een techniekproject in de klas. Wat verwachten scholen vaak van ouders?
A. Dat ouders nooit naar school komen.
B. Dat ouders soms meedoen of helpen bij activiteiten.
C. Dat ouders altijd in de klas blijven.
Antwoord: B
Vraag 16 – Rechten van kinderen
Wat is waar over kinderen in Nederland?
A. Kinderen mogen niet naar school als hun ouders dat niet willen.
B. Kinderen hebben recht op onderwijs en veiligheid.
C. Kinderen mogen vanaf 10 jaar stemmen.
Antwoord: B
Vraag 17 – Feesten
Je wordt uitgenodigd voor “kerstborrel” bij een Nederlands bedrijf. Wat is dat meestal?
A. Een sportwedstrijd.
B. Een informeel feestje met collega’s rond Kerstmis.
C. Een verplichte kerkdienst.
Antwoord: B
Vraag 18 – Op tijd komen
Je hebt een afspraak met een klant om 10.00 uur in Eindhoven. Wat is normaal in Nederland?
A. Je komt een half uur te laat zonder iets te zeggen.
B. Je komt op tijd of belt als je later bent.
C. Je komt een uur te vroeg en gaat alvast aan het werk.
Antwoord: B
Vraag 19 – Vrije meningsuiting
In Nederland is “vrijheid van meningsuiting” belangrijk. Wat betekent dat?
A. Mensen mogen altijd alles zeggen, ook als het geweld is.
B. Mensen mogen hun mening geven, maar ze mogen anderen niet oproepen tot haat of geweld.
C. Alleen de regering mag een mening hebben.
Antwoord: B
Vraag 20 – Hulp bij problemen
Je hebt als ondernemer financiële problemen en je weet niet wat je moet doen. Waar kun je hulp vragen?
A. Alleen bij je buren.
B. Bij de gemeente of een schuldhulpverlener.
C. Je mag geen hulp vragen in Nederland.
Antwoord: B
Gebruik deze vragen om te oefenen met KNM. Probeer bij elke vraag ook hardop uit te leggen waarom je een antwoord kiest.

