Exam Format
- Duration: Approximately 15-20 minutes
- Format: Computer-based with headset and microphone
- Components:
- Part 1: Open-ended questions (respond verbally)
- Part 2: Multiple-choice questions (choose answer verbally)
- Part 3: Image description (describe what you see)
- Recording: Your answers are recorded and assessed later
- Questions: 16-24 questions (format updated in 2026)
What to Expect
Part 1: Open Questions (10-12 questions)
You’ll see a video with a question and respond out loud. Questions about:
- Your daily life and routine
- Your work or studies
- Your family and hobbies
- Your neighborhood
- Your experiences in the Netherlands
- Your plans for the future
Example:
- Question: “Wat doe je in het weekend?”
- You say: “In het weekend ga ik vaak naar de markt. Ik koop verse groenten en fruit. Soms bezoek ik mijn vrienden.”
Part 2: Dialogue/Conversation (4-6 questions)
You’ll see a situation and need to respond appropriately:
- Making appointments
- Shopping situations
- Calling a doctor’s office
- Talking to a teacher
- Resolving problems
Example:
- Situation: “Je bent bij de dokter. De dokter vraagt: ‘Wat is het probleem?’”
- You say: “Ik heb al drie dagen hoofdpijn en koorts. Ik voel me heel ziek.”
Part 3: Image Description (2-4 questions)
You’ll see an image and describe what you see or answer questions about it.
Example:
- Image shows: A boy with sunglasses, bow tie, holding a dog
- You say: “Ik zie een jongen. Hij draagt een zonnebril en een vlinderdas. Hij heeft een hond vast.”
Key Vocabulary by Topic
1. Introducing Yourself (Jezelf voorstellen)
- Ik heet… = My name is…
- Ik kom uit… = I come from…
- Ik woon in… sinds… = I live in… since…
- Ik ben … jaar oud = I am … years old
- Ik werk als… = I work as…
- Ik studeer… = I study…
- Ik heb … kinderen = I have … children
- Mijn hobby’s zijn… = My hobbies are…
2. Daily Routine (Dagelijkse routine)
- opstaan = to get up
- ontbijten = to have breakfast
- naar mijn werk gaan = to go to my work
- werken = to work
- lunchen = to have lunch
- thuiskomen = to come home
- koken = to cook
- eten = to eat
- naar bed gaan = to go to bed
3. Weekend & Free Time (Weekend en vrije tijd)
- ontspannen = to relax
- sporten = to do sports
- fietsen = to cycle
- wandelen = to walk
- winkelen = to shop
- vrienden bezoeken = to visit friends
- naar de bioscoop gaan = to go to the cinema
- lezen = to read
- koken = to cook
4. Work (Werk)
- Ik werk bij… = I work at…
- Ik ben … van beroep = I am … by profession
- Ik werk parttime/fulltime = I work part-time/full-time
- Ik werk van … tot … = I work from … to …
- Mijn collega’s = My colleagues
- Mijn baas = My boss
- Het is interessant werk = It’s interesting work
- Het is zwaar werk = It’s hard work
5. Family (Familie)
- mijn man/vrouw = my husband/wife
- mijn partner = my partner
- mijn zoon/dochter = my son/daughter
- mijn ouders = my parents
- mijn broer/zus = my brother/sister
- mijn opa/oma = my grandfather/grandmother
- Wij hebben geen kinderen = We don’t have children
6. Housing (Wonen)
- Ik woon in een flat/huis = I live in an apartment/house
- Ik huur = I rent
- Ik koop = I buy/own
- De buurt is rustig/druk = The neighborhood is quiet/busy
- Mijn huis heeft … kamers = My house has … rooms
- de woonkamer = the living room
- de slaapkamer = the bedroom
- de keuken = the kitchen
- de tuin = the garden
7. Health (Gezondheid)
- Ik voel me ziek = I feel sick
- Ik heb pijn = I have pain
- Ik heb hoofdpijn = I have a headache
- Ik heb koorts = I have a fever
- Ik hoest = I’m coughing
- Ik ben verkouden = I have a cold
- Ik neem medicijnen = I take medicine
- Ik moet naar de dokter = I have to go to the doctor
Essential Sentence Patterns for Speaking
1. Talking About Yourself
- Ik ben + nationality/profession (Ik ben leraar)
- Ik heb + noun (Ik heb twee kinderen)
- Ik woon + place (Ik woon in Amsterdam)
- Ik werk + place/time (Ik werk in een ziekenhuis)
- Ik vind + adjective (Ik vind het leuk)
2. Talking About Preferences
- Ik hou van… = I like/love…
- Ik vind … leuk = I like…
- Mijn favoriet is… = My favorite is…
- Ik doe graag… = I like to do…
- Ik ga het liefst… = I prefer to go…
3. Describing Frequency
- altijd = always
- vaak = often
- soms = sometimes
- zelden = rarely
- nooit = never
- elke dag = every day
- één keer per week = once a week
- twee keer per maand = twice a month
4. Giving Opinions
- Ik denk dat… = I think that…
- Volgens mij… = In my opinion…
- Ik vind dat… = I think/find that…
- Het is goed/slecht = It’s good/bad
- Ik ben het eens/oneens = I agree/disagree
5. Explaining Reasons
- omdat… = because…
- daarom… = therefore…
- want… = because…
Examples:
- Ik leer Nederlands omdat ik in Nederland woon.
- Ik kan niet komen want ik ben ziek.
- Ik ben moe, daarom ga ik vroeg naar bed.
20 Common Speaking Exam Questions with Model Answers
Personal Questions
1. Wat is je naam en waar kom je vandaan? (What is your name and where do you come from?)
Answer: “Mijn naam is Maria. Ik kom uit Spanje. Ik woon nu drie jaar in Nederland, in de stad Rotterdam.”
2. Vertel iets over je familie. (Tell something about your family.)
Answer: “Ik ben getrouwd en ik heb twee kinderen. Mijn zoon is acht jaar en mijn dochter is vijf jaar. Mijn man werkt als leraar. Mijn familie in Spanje mis ik soms, maar ik bel ze elke week.”
3. Wat doe je in je dagelijks leven? (What do you do in your daily life?)
Answer: “Ik sta om zeven uur op. Ik ontbijt met mijn gezin en dan breng ik de kinderen naar school. Ik werk van negen tot vijf uur. ‘s Avonds kook ik en eten we samen. Om tien uur ga ik naar bed.”
4. Wat voor werk doe je? (What kind of work do you do?)
Answer: “Ik werk in een supermarkt als verkoper. Ik werk parttime, van maandag tot woensdag. Het werk is soms zwaar, maar mijn collega’s zijn aardig en ik vind het leuk om met klanten te praten.”
5. Wat doe je in het weekend? (What do you do on the weekend?)
Answer: “In het weekend rust ik uit. Op zaterdag ga ik vaak boodschappen doen en ik maak het huis schoon. Op zondag bezoek ik vrienden of we gaan samen naar het park. Soms fietsen we door de stad.”
Hobbies & Interests
6. Wat zijn je hobby’s? (What are your hobbies?)
Answer: “Ik hou van lezen en koken. Ik lees graag boeken in mijn eigen taal, maar nu ook simpele Nederlandse boeken. Koken vind ik ontspannend. Ik maak graag Spaanse gerechten voor mijn familie.”
7. Welke sport doe je? Waarom? (What sport do you do? Why?)
Answer: “Ik fiets veel. In Nederland fietst iedereen! Ik fiets naar mijn werk en naar de supermarkt. Soms ga ik hardlopen in het park. Dat is goed voor mijn gezondheid en ik voel me daarna fit.”
8. Wat doe je graag in je vrije tijd? (What do you like to do in your free time?)
Answer: “In mijn vrije tijd kijk ik graag naar films en ik speel met mijn kinderen. We gaan vaak naar de speeltuin. Ook leer ik Nederlands met een app op mijn telefoon. Dat vind ik belangrijk.”
Living in the Netherlands
9. Hoe vind je Nederland? (How do you find the Netherlands?)
Answer: “Ik vind Nederland een mooi land. De mensen zijn vriendelijk en er zijn goede voorzieningen. Het weer is soms grijs en het regent veel, maar ik wen eraan. De fietscultuur vind ik geweldig.”
10. Wat vind je moeilijk aan het leven in Nederland? (What do you find difficult about life in the Netherlands?)
Answer: “De taal is moeilijk. Nederlands leren kost veel tijd. Ook mis ik mijn familie in Spanje. Het weer is anders dan thuis – het is kouder en het regent meer. Maar ik voel me hier nu thuis.”
11. Vertel over je buurt. Hoe is je buurt? (Tell about your neighborhood. How is your neighborhood?)
Answer: “Ik woon in een rustige buurt met veel gezinnen. Er zijn winkels en een school dichtbij. Er is ook een park waar mijn kinderen spelen. De buren zijn aardig. Ik vind het een prettige buurt.”
12. Wat vind je leuk aan je woonplaats? (What do you like about your town?)
Answer: “Rotterdam is een mooie, moderne stad. Er zijn veel musea en restaurants. De architectuur is interessant. Het centrum is groot en er is altijd iets te doen. Ook is de stad multicultureel, dat vind ik fijn.”
Future Plans
13. Wat wil je in de toekomst doen? (What do you want to do in the future?)
Answer: “In de toekomst wil ik beter Nederlands spreken. Ik wil ook een andere baan vinden, misschien in een kantoor. Ik hoop dat mijn kinderen goed Nederlands leren en gelukkig zijn hier.”
14. Wil je in Nederland blijven wonen? Waarom? (Do you want to keep living in the Netherlands? Why?)
Answer: “Ja, ik wil hier blijven wonen. Mijn kinderen gaan hier naar school en mijn man heeft een goede baan. Nederland heeft goede scholen en gezondheidszorg. Dit is nu ons thuis.”
Learning Dutch
15. Waarom leer je Nederlands? (Why are you learning Dutch?)
Answer: “Ik leer Nederlands omdat ik hier woon. Ik wil met mensen praten, formulieren begrijpen en mijn kinderen helpen met school. Ook is het belangrijk voor mijn werk en om vrienden te maken.”
16. Hoe leer je Nederlands? (How do you learn Dutch?)
Answer: “Ik volg een cursus bij de taalschool. Thuis oefen ik met een app en ik kijk naar Nederlandse tv met ondertiteling. Ook probeer ik met mijn buren en collega’s Nederlands te praten.”
Situational Questions
17. Je bent ziek. Wat doe je? (You are sick. What do you do?)
Answer: “Als ik ziek ben, bel ik eerst de huisarts. Ik maak een afspraak. De dokter onderzoekt me en schrijft medicijnen voor als dat nodig is. Ik rust thuis uit en drink veel water.”
18. Je wilt een afspraak maken bij de tandarts. Wat zeg je? (You want to make an appointment at the dentist. What do you say?)
Answer: “Goedemorgen, ik wil graag een afspraak maken. Ik heb kiespijn. Wanneer kan ik komen? Heeft u tijd deze week? Donderdag om 14:00 uur? Ja, dat schikt mij goed. Dank u wel.”
19. Je hebt een probleem met de verwarming in je huis. Wat doe je? (You have a problem with the heating in your house. What do you do?)
Answer: “Ik bel mijn verhuurder en ik leg het probleem uit. Ik zeg dat de verwarming niet werkt en dat het koud is. Ik vraag of hij een monteur kan sturen. Als het urgent is, bel ik meteen.”
20. Een vriend nodigt je uit voor een feestje, maar je kunt niet komen. Wat zeg je? (A friend invites you to a party, but you can’t come. What do you say?)
Answer: “Bedankt voor de uitnodiging! Helaas kan ik niet komen want ik moet die dag werken. Kunnen we een andere keer afspreken? Veel plezier op het feestje!”
Image Description Practice
How to Describe Images
Structure:
- Start with: “Ik zie…” (I see…)
- Describe people: “Er is een man/vrouw/kind…” (There is a man/woman/child…)
- Describe actions: “Hij/zij… ” + verb (He/she is…)
- Describe objects: “Er is/zijn…” (There is/are…)
- Describe location: “links/rechts/in het midden” (left/right/in the middle)
Useful Phrases:
- Ik zie = I see
- Er is/zijn = There is/are
- Op de foto = In the photo
- Links/rechts = Left/right
- In het midden = In the middle
- Op de achtergrond = In the background
- Op de voorgrond = In the foreground
Example Image: Kitchen scene with woman cooking
Description: “Ik zie een keuken. Er is een vrouw. Zij kookt eten. Op de tafel liggen groenten. Ik zie tomaten, paprika en uien. De vrouw draagt een blauw shirt. De keuken is modern en schoon.”
Pronunciation Tips
Key Sounds to Practice
1. The “G” sound
- Dutch “g” is guttural (from throat)
- Practice: goed, groot, gisteren, genoeg
- Don’t pronounce like English “g”
2. The “UI” sound
- Unique Dutch sound (like “ow” + “ee”)
- Practice: huis, buiten, muis, fruit
3. The “EU” sound
- Similar to British “uh” in “turn”
- Practice: deur, kleur, neus, keuken
4. The “IJ/EI” sounds
- Often sound similar
- Practice: mijn, tijd, klein, reis
5. The “CH” sound
- Softer than “g” but similar
- Practice: acht, macht, licht, dochter
Speaking Strategies for Success
Before You Speak
✓ Listen carefully to the question
✓ Think for 2-3 seconds – organize your thoughts
✓ Take a breath – don’t rush
While Speaking
✓ Speak clearly – don’t mumble
✓ Use complete sentences – not just yes/no
✓ Stay calm – mistakes are okay
✓ Speak at normal pace – not too fast or slow
If You Don’t Understand
✓ Make your best guess from context
✓ Give a general answer related to the topic
✓ Don’t stay silent – say something!
Extending Your Answers
Don’t just give one-sentence answers. Add details:
- Basic: “Ik werk in een supermarkt.”
- Better: “Ik werk in een supermarkt als verkoper. Ik werk daar drie jaar. Het is leuk werk.”
Common Mistakes to Avoid
❌ Mistake 1: Too short answers
❌ “Ja.” / “Nee.” ✓ “Ja, ik vind Nederland mooi omdat er veel fietspaden zijn.”
❌ Mistake 2: Wrong verb forms
❌ “Ik ben werk in een winkel.” ✓ “Ik werk in een winkel.”
❌ Mistake 3: English word order
❌ “Ik altijd fiets naar werk.” ✓ “Ik fiets altijd naar mijn werk.”
❌ Mistake 4: Forgetting articles
❌ “Ik ga naar dokter.” ✓ “Ik ga naar de dokter.”
❌ Mistake 5: Silent when confused
❌ [Says nothing] ✓ “Ik begrijp de vraag niet goed, maar ik denk…”
Exam Day Tips
- Test your equipment – Make sure microphone works
- Speak directly into microphone – Not too close, not too far
- Wait for the beep – Don’t start speaking before the signal
- Speak loudly enough – Make sure you’re recorded clearly
- Don’t panic if you make mistakes – Keep going
- Use the time given – Don’t rush through answers
- Relax – The more you practice, the easier it becomes
Practice Schedule
Daily Practice (15 minutes)
- Answer 3-5 speaking questions out loud
- Record yourself and listen back
- Practice describing images
Weekly Practice
- Have a conversation with a Dutch speaker
- Practice with language exchange partner
- Watch Dutch TV and repeat what you hear (shadowing)
Before the Exam
- Practice with official DUO materials
- Do timed practice sessions
- Review common questions and prepare answers
Useful Phrases for Any Situation
Starting Your Answer
- “Nou…” (Well…)
- “Eh…” (Um…)
- “Laat me denken…” (Let me think…)
- “Dat is een goede vraag…” (That’s a good question…)
Giving Examples
- “Bijvoorbeeld…” (For example…)
- “Zoals…” (Such as…)
- “Een voorbeeld is…” (An example is…)
Concluding
- “Dus…” (So…)
- “Daarom…” (Therefore…)
- “Dat is alles.” (That’s all.)
Assessment Criteria
You’re assessed on:
- Comprehension – Do you understand the question?
- Fluency – Can you speak without too many pauses?
- Pronunciation – Are you understandable?
- Vocabulary – Do you use appropriate words?
- Grammar – Are your sentences mostly correct?
- Content – Do you answer the question fully?
Remember: You don’t need perfect Dutch! The goal is functional communication.
Practice Resources
Official: www.inburgeren.nl/examen-doen/oefenen.jsp
YouTube: Search “A2 spreken oefenen inburgering”
Language Exchange: iTalki, Tandem, HelloTalk apps
AI Practice: Use this file with an AI to practice conversations!
HOW TO USE THIS FILE WITH AI:
Upload this file to an AI assistant and say:
- “Practice speaking question [number] with me”
- “Give me 5 random speaking questions”
- “Help me improve my answer to question X”
- “Create a new situation for me to practice”
The AI can play the role of examiner, give you feedback, and help you improve!
Remember: Speaking improves with practice. Don’t be afraid to make mistakes. The more you speak Dutch, the more confident you’ll become!
